maandag 24 december 2018

Kerstverhaal van de torp

Eens, heel lang geleden,
in een land hier heel ver vandaan,


was er een keizer, die nu eindelijk weleens wilde weten hoeveel onderdanen hij precies had. Hij had niet zo veel personeel wat goed kon tellen, en met al die struikrovers in het land was het veel te gevaarlijk om zulke waardevolle krachten het land door te sturen. Bovendien zou dat veel en veel te lang gaan duren, want auto's, bussen en helicopters waren nog niet eens uitgevonden, zó lang geleden was het, en nog veel langer dan dat. Dus de keizer besliste dat iedereen, jong, oud, arm en rijk, goed ter been of invalide, zélf maar op pad moest gaan, om zich zo snél mogelijk te laten registreren. Al die reizende mensen waren bovendien heel goed voor de omzet van de herbergen, dus dat leverde meteen mooi wat extra belasting op...

Ook Josef en Maria waren onderweg, en dat was helemaal niet zo eenvoudig, want Maria was tijdens de zwangerschap flink aangekomen, en kon haar voeten amper meer zien, laat staan er kilometers en kilometers op lopen. Gelukkig mochten ze van iemand een ezeltje lenen, tot aan de eerstvolgende herberg.


Maar de herberg was al overvol… De waard en waardin kregen medelijden, en zeiden dat ze eventueel wel in de stal een nachtje konden slapen - daar was het in ieder geval warm, tussen de dieren…


Want het was koud, heel koud, in de herberg stonden zelfs ijsbloemen op de ramen. 


In die stal werd 's nachts hun kindje geboren, dat door Josef en Maria liefdevol Jezus genoemd werd, en op hetzelfde moment verscheen er een enorme ster boven de herberg, 


die door de herders op een veld in de buurt natuurlijk meteen werd gespot, waakzaam als ze waren, want ze hadden die dag sporen van wolven in de sneeuw gezien…


Ze schrokken zich eerst nog een ongeluk, toen er opeens een engel verscheen, die ze kwam vertellen wat er aan de hand was. Aanvankelijk zagen ze de engel voor een spook aan, maar ook nu bleek maar weer dat spoken niet bestaan. Daarna gingen ze, nieuwsgierig als ze waren, meteen op pad, richting ster. Zóveel gebeurde er doorgaans niet, behalve dat er de laatste tijd vrijwel dagelijks reizigers kwamen vragen of ze wat schapen- of geitenmelk voor ze hadden. 


Toen ze heel voorzichtig, om het kindje niet wakker te maken, om de hoek van de staldeur keken, zagen ze dat de reeën ook al uit het bos waren gekomen om te groeten. En natuurlijk sliep het kindje door alles heen, zoals pasgeboren kindjes gewoonlijk plegen te doen.

Ondertussen was er ook al een karavaan onderweg, met drie wijzen uit het land waar de zon opkomt. Maar het zou nog tot 6 januari van het volgende jaar duren voor die aan zouden komen…


Hoe dat verder afliep, en hoe het verder met het kindje is gegaan, staat in het Nieuwe Testament te lezen. Jammer genoeg vertelt het verhaal niet, of het tellen van de onderdanen goed is gegaan - men was in die dagen nog niet zo goed in archiveren. 









Geen opmerkingen:

Een reactie posten